Mythen en Sagen uit Flevoland

door Gerard Beense

Het Almaarse Godenrijk

De Grot van Cavender

In dit verhaal wordt verteld over hoe en waar Blumerhym als Almaars Nabestaan gestalte krijgt.

Flevo Batavus begint het verhaal met dit gedicht:

 

Gedoemd tot eten

van grond en steen,

ging hij heen.

Verdreven,

om alleen te leven,

tot zij hem weer vond,

daar,

waar met eind,

een ander beginnen komt.

 

En Tarantor zuchtte,

en rukte verbeten aan de ketens

om zijn eenzaamheid te ontvluchten.

 

 

 


Het verhaal vangt aan met:

 

Het bericht over de opvallende verschijning van de Geysergodin Rickya, verspreidde zich met grote snelheid onder Goden en Grondenbewoners. Van de Geysergronden in de zee van het hoge noorden tot de Gronden aan de Schokkerkaap en die in het diepe zuiden en westen, alom werd over haar stralende schoonheid gesproken.

Ook de vexelaar Lickwitte vernam van de mare. Hij besloot te onderzoeken of het bericht juist was. En waarlijk, toen hij haar zag stond hij verbaasd over de waarheid van het verhaal. Rickya was niet alleen schoon van aanzicht en vol en vrouwelijk gevormd, maar ook blank en romig en gaaf van huid. En dat was wat de vexelaar verlangde van een geliefde. Van donker en geschonden gruwde hij. Doch toen hij haar wilde verleiden vertelde Rickya hem dat ze liefde had opgevat voor de blonde Geysergod Vickke.

De afwijzing vertoornde de vexelaar en hij voorspelde de wonderschone Geysergodin dat ze van haar geliefde slechts één kind zou mogen baren. Een dochter. Die dochter zou weliswaar een bijzondere gave bezitten maar de schoonheid van haar ouders zou ze missen. Rickya zond de vexelaar diep verontwaardigd heen en gaf zich aan haar geliefde.

Natuurlijk vertelde Rickya aan Vickke over het bezoek van de vexelaar. De Geysergod ontstak in grote woede en wilde Lickwitte straffen voor zijn onbeschaamdheid. Doch de vexelaar leek van de gronden verdwenen te zijn. En na verloop van tijd vergat het Godenpaar het bezoek van de vexelaar.

 

Over dit bericht en het bezoek van de Vexelaar schrijft de dichter Posoral het volgende vers:

 

Door Drift Gedragen

Het gerucht dat

er een Geysergodin was geboren

zo Goddelijk Schoon

van gestalte en gelaat,

was een bericht dat

niet alleen de Goden konden horen,

ook op de Gronden werd er alom,

als vervulling van een droom,

over de Godin Rickya gepraat.

 

Ook de Vexelaar Lickwitte

kwam de mare ter ore,

en nadat hij haar had aanschouwd

wilde hij haar schoonheid bezitten

doch Rickya liet hem echter horen,

haar hart reeds aan Vickke

te hebben toevertrouwd.

 

Het was toen

dat de Vexelaar door drift gedragen

en vervuld van nijd

tot haar zei,

Ik voorspel je één dochter te mogen bezitten,

weliswaar begiftigd met een gave,

maar ze zal niet zo'n gave schoonheid zijn

als jij.

 

Hoe de Vexelaar Lickwitte de schoonheid van de vrouw beschouwt, beschrijft Posoral in dit gedicht:

 

Wat Lickwitte wil Bezitten

Lickwitte had voor vrouwelijk schoon

slechts oog voor uiterlijkheden.

Met minachting en hoon

had hij het donkere vermeden.

En de huid die een pukkel of wrat

bezat,

gruwde hij,

bespuwde hij,

wees hij met weerzin af.

Het blonde en volle ronde,

maar blank en ongeschonden,

dát was waar hij slechts om gaf.

 

In het verhaal wordt voorts over deze geschiedenis verteld:

 

Niet lang daarna baarde Rickya haar dochter Ula. En zoals het bij Goden betaamt, groeide zij snel op tot een jonge maagd. Ula bezat het verfraaiend vermogen kleuren te mengen, te veranderen en te wisselen. Rode bloemen kon ze geel maken, witte melk in blauw veranderen, huppelende grijze of bruine konijnen deed ze met een blik van haar ogen voortgaan als rode of groene springers. Echter, ze was niet begiftigd met de prachtige gave huid van haar ouders, blank en romig, zonder pukkels, kloven, wratten en puisten. Nee, hoewel Ula vol en vrouwelijk van vorm was, bleef haar huid pokdalig, grauw, gehavend en geschonden.

 

Posoral dicht over dit deel van de geschiedenis:

 

Ula's Gebrek en Gave

Nauwelijks had haar schoot Ula gebracht

of de Godin Rickya zag meteen,

haar dochter had geen

huid, zo blank, zo romig en zacht

als waarmee zij zelf in het Bestaan verscheen.

Donkere vlekken en plekken

met pukkels, puisten en kloven

vertelden haar met pijn in het hart

dat men Ula niet om de schoonheid zou loven

die zij en Vickke bezat.

 

Maar ondanks dat

werd Ula rap een maagd en Godin,

die met de gave die ze had

elke kleur veranderen kon in

een teint die zij zelf verkoos.

Een rode roos

mocht met de kleur geel voortgaan

en een grijs of bruin konijn

liet ze met een simpel gebaar,

zoals een knip van het oog,

een rode of groene springer zijn.

Ze wist niets van het venijn

van de Vexelaar.

 

Het vervolg van het verhaal luidt:

 

Slechts aan haar ouders wilde ze zichzelf tonen. En dat gaf Vickke en Rickya het gevoelen, dat behagen en liefhebben, zoals zij dat kenden, aan hun dochter voorbij zou gaan. Zonder Ula er in te betrekken, vroegen zij aan Lickwitte zijn vexeling te herroepen.

De vexelaar toonde zich bij het opnieuw aanschouwen van de schoonheid van de Geysergodin, nog steeds verbolgen en vertoornd. Na veel smeken van Vickke en Rickya zei hij bereid te zijn de vexeling ongedaan te maken. Maar alleen als Ula haar eerstgeboren dochter aan hem als geliefde zou schenken.

Aanvankelijk wezen Vickke en Rickya zijn voorwaarde verontwaardigd van de hand. Vickke werd razend en wilde Lickwitte te lijf gaan, doch in haar wanhoop riep Rickya hem toe dat ze instemde met de eis van de vexelaar.

De belofte was gegeven en Vickke begreep dat zelfs zijn woede daar niets meer aan veranderen kon.

 

Posoral beschrijft het in zijn vers als volgt:

 

De Voorwaarde van Lickwitte

En Lickwitte trok zijn vexeling van Ula in

doch met de eis dat de Onooglijke Godin

slechts haar schoonheid mocht beleven,

indien ze haar eerstgeboren dochter

als geliefde aan hem zou geven.

En met een blik die wanhoop baarde

riep Rickya de Vexelaar toe

dat ze zijn voorwaarde aanvaarde.

Daarop ging Lickwitte heen

en hij liet Rickya en Vickke,

met groeiend onbehagen alleen.

 

Het verhaal gaat verder met:

 

De herroepen vexeling van Lickwitte openbaarde bij Ula een schoonheid die herkenbaar was als die van haar moeder Rickya. De Godendochter onderging de plotselinge verandering als vanzelfsprekend en zij bewoog zich daarna vrij en onbevangen tussen Goden en Grondenbewoners. Haar schoonheid werd alom gehoord en geroemd. Talloze bewonderaars dongen naar haar gunsten doch telkens wees zij elk verzoek tot een verbintenis af. Tot zij Cavender, de Grondenzoon van de Keltische Grotgod Caveron ontmoette.

 

Posoral dicht over dit deel van het verhaal:

 

Met het Komen van Cavender

Het bericht over de schoonheid

waarin zij zich bewoog,

vloog met de wind mee over de Gronden

tot het elk oor had gevonden

dat waarde hechte aan het geloof

dat Ula de schoonheid van Rickya,

meer dan evenaarde.

Tallozen trachten haar

tot een geliefde te maken maar,

haar verlangen kon pas ontwaken toen daar

Cavender verscheen,

de zoon van een Grotgod

in wie zij meteen het weten vernam

dat hij niet alleen

voor haar schoonheid kwam.

 

Het verhaal krijgt dit vervolg:

 

Vickke en Rickya waren bij elk treffen van hun dochter met een mogelijke minnaar, pijnlijk herinnerd aan de belofte die ze de vexelaar Lickwitte eens hadden gedaan. Toen Ula hen liet weten dat ze liefde voor Cavender had opgevat besloten ze hun dochter over de toezegging aan de vexelaar Lickwitte te vertellen. Doch in tegenstelling tot wat Vickke en Rickya verwachtten, reageerde Ula heel kalm en zelfbewust op het bericht.

“Ik wist dat iets dergelijks gebeurd moet zijn.” zo liet ze haar ouders weten. “En ik begrijp dat jullie hebben gehandeld zoals jullie hebben gedaan. Maar wees gerust, Lickwitte zal nimmer krijgen wat hij verwacht.”

De zelfverzekerdheid van Ula verbaasde Vickke en Rickya. En ze vroegen hun dochter wat ze zou doen als de vexelaar kwam om te halen wat hem was toegezegd. Doch Ula glimlachte slechts. “Het is beter dat ik daarover zwijg. Alleen Cavender zal ik het vertellen. Pas als Lickwitte komt zal iedereen het zien en weten.”

 

Posoral vertaalt het in het volgende gedicht zo:

 

U

Het Zwijgen Voorbij

Rickya en Vickke hadden lang

gevoelens van onbehagen verdragen,

maar toen Cavender in liefde

tot Ula kwam, werden ze bang,

konden ze niet voortgaan met blijven zwijgen

en ze hebben Ula zonder dralen uitgelegd

waarom, mocht zij een dochter krijgen,

een vuige Vexelaar kwam halen

wat hem eens was toegezegd.

 

Ula glimlachte en schudde het hoofd.

Ik begrijp waarom het hem is beloofd,

het is juist dát wat ik had verwacht.

Maar vertrouw me,

ook als ik blijf zwijgen over mijn kracht.

De Vexelaar zal nimmer krijgen

wat hij zichzelf heeft toegedacht.

 

En zo gebeurde .

 

aldus luidt het vervolg van het verhaal .

 

Ula baarde haar dochter Maymere en zoals bij Goden gebruikelijk, groeide zij voorspoedig op tot volle vrouwelijke volwassenheid. Niemand had haar echter nog aanschouwd. Ook Vickke en Rickya niet. Slechts Ula en Cavender wisten van de opmerkelijke schoonheid van hun dochter.

Natuurlijk hoorde Lickwitte over de geboorte van de dochter van Cavender en Ula. Het duurde dan ook niet lang of de vexelaar verscheen om de belofte die hem was gedaan ingewilligd te zien.

Doch bij het zien van Maymere krijste Lickwitte vol afschuw en weigerde hij te nemen waar hij volgens de toezegging recht op had.

Maymere was begiftigd met volle ronde vrouwelijke schoonheid, gaaf van huid en stralend in haar verschijnen. Maar zij bezat iets dat de vexelaar verafschuwde. Haar huid was donker, zo zwart als het Thoster van Daxon.

Lickwitte begreep meteen dat Ula met haar gave, kleuren mengen, veranderen en wisselen, haar dochter die diepzwarte huid had gegeven. Hoewel hij het antwoord moest kennen, wist hij slechts verbijsterd uit te roepen: “Waarom? Waarom? Waarom heb je dat gedaan?”

Ula en Cavender keken de vexelaar vol verachting aan.

“Om te voorkomen dat onze dochter een gedwongen geliefde moet zijn van iemand die geen schoonheid kent.” zo antwoordde Ula hem.

“U kunt gaan.” zei Cavender.

De aanzegging tot vertrekken deed de verbijstering van de vexelaar in woede omslaan.

“Noch een God noch een Grondenbewoner kan mij dit ongestraft aan doen.” zo beet hij Ula en Cavender toe. “Ik zal jullie scheiden. Slechts het gaan van een van u, zal u weer bijeen brengen. Maar dan op een wijze die geen van u ooit verwacht had.”

Cavender sprong op om Lickwitte vol verachting de mond te snoeren doch de vexelaar was hem voor. De geliefde van Ula had nauwelijks zijn hand uitgestoken of Lickwitte vexelde hem in een kleine waterworm die echter snel uitdijde tot een glad en glibberig wezen dat kronkelde als een kolossale slang. Groots, dreigend en gewelddadig in zijn voorkomen maar ongevaarlijk in zijn verrassend verschijnen.

“Slechts steen en grond zul je eten.” schreeuwde de vexelaar hem toe. “En in je gaan zal je slechts in grond en steen voortbestaan.”

Cavender keek zijn geliefde Ula aan, wilde haar zeggen over zijn liefde voor haar. Maar uit zijn geopende muil klonk slechts gesis dat aanzwol tot een jammerlijk gehuil en gebrul. Ula sloeg vol ontzetting gade hoe hij daarna, al kronkelend en sissend, verdween.

Met zijn vertrek ging ook de vexelaar, vervuld van woede, heen.

 

Posoral heeft over dit deel van deze geschiedenis een drietal gedichten geschreven. Het eerste luidt:

 

Niet Verzwegen doch Nooit Aanschouwd

Dat Ula een Goddelijke Dochter had gekregen,

werd door geen God verzwegen.

Zelfs op de Gronden kon men horen

dat Maymere was geboren.

En zoals het de Goden is gegeven,

groeide zij in korte tijd

naar maagd en volle vrouwelijkheid

Doch nog niemand had haar,

al was ‘t maar even,

ooit aanschouwd.

Slechts Ula en Cavender

waren met haar pracht vertrouwd.

 

Het tweede gedicht verhaalt over de verwachting en minachting van de Vexelaar Lickwitte:

 

Als het Diepste Duister

Dat Maymere als Godin

in verborgen schoonheid ging,

kwam Lickwitte snel de weten

en het recht, hem toegezegd

na een herroepen vexeling,

was hij niet vergeten.

Doch toen hij wilde innen

wat hij als bezit beschouwde,

geraakte hij buiten zinnen.

Hij brieste, schold en snauwde,

want wat hij zichzelf had toegedacht,

verafschuwde hij,

bespuwde hij

met giftig gejank

als altijd al veracht.

Maymere was niet blank,

zoals hij het liefst van luister

had verwacht,

maar donker, zwart,

als het diepste duister van de nacht.

 

Het derde vers vertelt over de wraak van de Vexelaar:

 

De Wraak van de Vexelaar

En Cavender sprong op zond Lickwitte heen,

doch hij kromp ineen en zweeg

toen hij door een giftig gebaar

van de woedende Vexelaar,

de vorm van een waterworm verkreeg.

Grond en steen zul je eten,

zo liet Lickwitte hem schreeuwend weten.

En in je laatste gaan

zal je slechts in grond en steen

kunnen voortbestaan.

Ik zal jullie beiden scheiden,

maar mochten jullie eens bijeen

worden gebracht,

dan zal het zijn op een wijze

die geen van jullie ooit had gedacht.

Cavender keek Ula aan,

wilde spreken van verlangen,

maar zijn mond was vervangen door een muil,

en Ula verstond in het jammerlijk gehuil

slechts een schrijnend geween

dat met kronkelen en sissen van een slang verdween.

Met Cavenders gaan ging ook de Vexelaar heen.

 

De vexeling en het vertrek van Cavender blijkt voor Ula geen reden om haar geliefde op te geven en te vergeten want, zo vertelt het verhaal:

 

Ula was vastbesloten haar geliefde weer te vinden. Samen met Maymere trok zij door het ganse bestaan. Tijdens hun zoektocht naar de gevexelde Cavender bezochten zij en haar dochter ook de Goddelijke Wouden van het Almaarse Godenrijk. En het was daar dat Blumer, de zoon van de Almaarse God Thoron, aan Maymere verscheen.

Blumer vatte liefde op voor de dochter van Cavender en Ula. Haar zwarte schoonheid was hem een geschenk voor zijn gevoel en zijn gemoed. En Maymere schonk haar liefde aan de God van het Almaarse Dodenrijk. Zij vertelde hem over de vexeling van haar vader Cavender. En over het verlangen van haar moeder Ula, om voor altijd samen bij haar geliefde te zijn, maar dat ze niet wist waar hem te vinden. De Almaarse God hoorde haar verhaal met liefde en pijn in het hart aan. En hij vroeg de Golvenmaagden te zoeken in de zee, want hij vermoedde dat een enorme waterworm slechts daar zijn bestaan kon vinden.

 

Het bericht dat Cavender zichzelf een grot had gegraven aan het eind van een zeestroom, bracht vreugde en verdriet bij Maymere en haar moeder Ula. Beiden begrepen dat een afscheid voor altijd, aanstaande was. Blumer bracht hen daarop naar de grot die de Golvenmaagden hem hadden onthuld. En daar ontmoetten Ula en Cavender elkaar weer in een omstrengeling die hun liefde voor immer verbond.

Zoals de vexelaar Lickwitte had voorspeld, verzonk Cavender, samen met zijn geliefde Ula, in grond en gesteente dat hij gedoemd was te eten.

Blumer maakte van de grot waar Cavender zich verborgen had, de ingang naar zijn dodenrijk Blumerhym en hij noemde het de Grot van Cavender. Het eiland dat door het samengaan van de twee geliefden ontstond gaf hij de naam Ula. Het werd de plaats waar de Grondenbewoners, alvorens Blumerhym binnen te gaan, hun grondengedaante dienden af te leggen. En de zeestroom die de kanondes, met hen die moesten gaan, zou voeren naar de Grot van Cavender en het eiland Ula, noemde hij Ceele.

 

Posoral dicht over deze aangrijpende geschiedenis:

 

De Laatste Omhelzing

Nadat Maymerre liefde voor Blumer had opgevat

vertelde zij de Almaarse God over wat

haar vader was overkomen

door een wraakgebaar van een vexelaar.

En Blumer heeft haar bij de hand genomen

en toegezegd te zullen zoeken

in alle gaten en hoeken van de Gronden

tot Cavender zou worden gevonden.

En zo gebeurde.

Maymere en Ula waren blij

met het bericht dat Cavender zich

een grot gegraven had

en daar vol weemoed wachtte op dat

wat hij in liefde ooit bezat.

Toch treurden zij

want zicht op afscheid was nabij.

En Ula ging de grot in

voor de laatste omhelzing

van een God en een Godin

die al wenend versteenden tot plaats

van scheiden van Grondenbestaan

teneinde Blumerhym binnen te gaan.

 

Over hoe het Lickwitte verging, vertelt het verhaal:

 

Lickwitte ontliep zijn straf voor de vexeling en verdrijving van Cavender niet. Op verzoek van Blumer, de God van het Almaarse Dodenrijk, zocht de uit het hoge noorden komende vexelaar Tafyrin, alle gronden af om de verblijfplaats van Lickwitte te vinden.

En hij vond hem.

Lickwitte wist dat hij door Tafyrin gezocht werd. Hij vreesde de ontmoeting. Daarom had hij zich veranderd in de spin Tarantor. Slechts vermomd in dat zijn, zo meende hij, zou hij aan de wraak van Ula kunnen ontkomen.

Bij het vexelen diende een vexelaar altijd een deel van zijn eigen lichaam voor de ogen te houden. Dat kon een vinger zijn, een hand, een arm, een knie, een voet of teen. Als spin, zo had Lickwitte bedacht, zou hij poten genoeg hebben om aan dat gebaar te kunnen voldoen. Doch in zijn trots en om de donkerte die hij vreesde en verafschuwde, af te schrikken, had Lickwitte de spin Tarantor, waarin hij zichzelf gevexeld had, groots en afschrikwekkend gemaakt. Het monsterachtige voorkomen van Tarantor had over hem doen spreken en dat deed Tafyrin hem vinden.

De vexelaar uit het hoge noorden stuurde vliegen, ja zelfs ratten en muizen op hem af die van de papaver gepeuzeld hadden. Tarantor ving ze in zijn web en verslond hen. Daarna kon hij niet anders dan zich traag en sloom voortbewegen langs de draden van zijn schuilplaats.

Tafyrin had zijn web echter ingesmeerd met honing en hars. Tijdens de worsteling van Tarantor om zijn verzwakte harige poten van plakken en kleven te vrijwaren, wist Tafyrin ze zo vast te binden dat ze niet naar de blik van Tarantor konden worden gebracht. En daarna bond hij ze aan lange kettingen en klonk die vast aan ver van elkaar gelegen rotsen, diep begraven onder de gronden.

 

Sindsdien kan het gebeuren dat het soms ver onder de gronden, rommelt en dondert. Een teken dat de vexelaar Lickwitte in zijn eenzaamheid steunt en zucht. En daarbij, vervuld van nijd en wellicht ook van spijt, verwoed en verbeten aan zijn ketens rukt, in een vergeefse poging zijn verborgen gevangenis te ontvluchten.

 

Posoral heeft het slot van deze geschiedenis in een vers zo beschreven:

 

De Straf van Tafyrin voor Tarantor de Spin

Lickwitte wist dat Tafyrin

hem op verzoek van de Goden zocht

en hem straffen, ja, zelfs doden mocht.

Hij duchtte Tafyrin,

en hij vluchtte de Gronden in

om daar, als Tarantor de Spin,

vol weerzin te ontkomen

aan de macht,

en de niet in te tomen vexelaarskracht

van de Grote Tafyrin.

 

Maar in zijn trots,

en toch ook vrees,

zo was bekend geraakt,

had hij zich groots

en afschrikwekkend gemaakt.

Natuurlijk kwam dit weten

ook bij Tafyrin terecht,

en spoedig wist hij

waar de Spin zou eten,

waar hij zijn web had neergelegd.

En hij verdoofde hem,

met muizen en ratten

beroofde hem van zijn kracht

en omvatte zijn poten met een keten

die hij had meegebracht.

En zo werd Lickwitte, als Tarantor de Spin,

diep in de Gronden,

gekneveld en gebonden

door de Grote Tafyrin,

 

Sindsdien hoor je soms gerommel en gedonder gaan,

hoor je Lickwitte, diep onder het Bestaan,

verbeten rukken aan zijn keten,

hoor je hem zijn boeien tegen de rotsen slaan

in een vergeefse poging te vermijden

dat hij daar, tot aan het eind der tijden,

zijn staf moet ondergaan.

 

 


Over de Ontstaansgeschiedenis

Rond het Rad der Tijd
Bidningh Godenzoon of Banneling
De Onwerkelijke Wezens van Azeser
De Grot van Cavender
De Ensese velden
De Almaarse Dichter Posoral *


HOME