Mythen en Sagen uit Flevoland

door Gerard Beense

Het Almaarse Godenrijk

Bidningh, Godenzoon of Banneling
Zoals de dichter Flevo Batavus schreef:

Wat hij heeft gedaan en gezegd
werd uitgelegd
als dat van een Banneling,
een Vexelaar wellicht.
De Wijsheid van Weten hem toegedicht,
is niet aan vergeten gegeven.
Is niet alleen gebleven bij klank en toon
en glazen tranen die dwalen in de stroom.
Was hij toch een God of Godenzoon?

In het achterland van de Gronden aan de Schokkerkaap, nabij de Vlakte van Drunthene en de Gronden van Swiftinghe, woonde eens een bijzondere man, Bidningh genaamd. Tijdens zijn verblijven daar werd hij regelmatig bezocht door tal van grondenbewoners, van vorst tot boer. Waar hij vandaan kwam wist men niet. Maar, zoals gebruikelijk bij vragen waarop men het antwoord niet weet, deden daarover tal van geruchten de ronde. Zo werd beweerd dat hij een zoon van Lilyce, de voormalige vorstin van de Schokkerkaap zou zijn. Maar die veronderstelling klopt niet met de gefluisterde gedachte dat hij een geliefde van de priesteres van Almare was. Weer andere berichten duidden er op dat hij een zoon van Almare was, een halfbroer van Lilyce. Verder zou hij de Vexelaar Tafyrin uit het hoge noorden zijn geweest. En andere verhalen vertellen dat hij een banneling was, verdreven van de gronden diep in het zuiden. Er zijn er zelfs die meenden dat hij de God Almare zelf moet zijn geweest. Niemand wist het met zekerheid, maar velen wisten het ene, of het andere, wel met schijnbare stelligheid te beweren. Over wat gebeurde toen hij er woonde is meer bekend dan over het moment dat hij er kwam.

Bidningh vestigde zich in een deel van de Schokkerkaap waar her en der beekjes en kleine watergangen het landschap doorkruisten. Hij verkreeg zijn naam nadat hij een van die stroompjes, de Bidningh, had afgedamd en drooggelegd. En dat deed hij, op nog steeds onverklaarbare wijze, tijdens een enkele tocht van Daxon met zijn Thoster door het zwerk. Zonder angst voor het terugkeren van het water, bouwde hij in de bedding van de voormalige stroom, een klein onderkomen voor zichzelf. En daar sprak hij met Goden en Sucenen, zo werd beweerd. Daar sprak hij ook met vorsten, vissers, boeren en andere bezoekers. Daar gaf hij hen antwoord op hun vragen. Maar van een ieder, ongeacht wie het was, verwachtte hij een tegenprestatie. En die bestond altijd uit het hem helpen bij het bouwen van een eenvoudige hut. En zo verscheen op den duur een lange rij hutten op de bodem van de voormalige stroom. In die hutten werden door hem grondenbewoners ontvangen die zich wilden bekwamen in zang, dans en voordracht. En die bezoeken leidden naar verhalen over het regelmatig verblijven bij hem van Sedece, Sewende en Orcete, de Almaarse Sucenen van de Zang, Dans en van de Voor­dracht en Verbeelding.

Zij die zich met hulp van Sedece, Sewende en Orcete, bij Bidningh hadden bekwaamd, werden Bidninghers genoemd. Zij zwierven uit over alle gronden om met zang, dans en voordracht, stervelingen en zelfs Goden te vermaken en plezieren. Het verhaal doet de ronde dat Bidningh zijn Bidninghers heeft geleerd te blazen door riet, waarin hij gaatjes had gemaakt. Het geluid bracht klanken voort die gevoel en geest beroerden. Bidningh schijnt ook, zo werd door Bidninghers beweerd, grote houten kommen in gedroogde en glad geschoren huiden van rendieren te hebben verpakt. Door er op te slaan ontstond geluid dat zelfs Himlvir verbaasd moet hebben. Verder heeft Bidningh, zo blijkt uit de verhalen, het lange haar van wilde paarden over houten kommen gespannen. Door met zijn vingers het stugge haar te strelen en er mee te spelen, deinden tonen naar het oor die je deden zingen en dansen.

Over hen die Bidningh hebben bezocht, over wat zij hem vroegen en welke antwoorden zij daarop kregen, is weinig gezwegen en veel gezegd.

Zo heeft Toroom, de vorst en Tulle van de Gronden van Beecke, hem eens bezocht. Tal van kooplieden trokken met hun handelswaar over de Gronden van Beecke, van het ene naar het andere rijk. Daarbij moesten ze de waterloop passeren die de Gronden van Beecke in tweeën deelde. Nu had hij het plan opgevat om bij de oevers van de stroom een schatting van de reizigers te verlangen. De vorst wilde een honderdste deel hebben van dat wat zij droegen. Maar er was tegen zijn voornemen veel weerstand ontstaan. Nu hoopte de Tulle dat Bidningh hem raad kon geven bij het uitvoeren van zijn plan.

Bidningh hoorde de vorst aan en zei dat zijn voornemen niet gepast was. Dat vrijheid van reizen nooit belemmerd mocht worden. Maar als de Tulle zijn plan toch door wilde zetten, zo zei Bidningh, dan moest hij goederen en wapens die de reizigers droegen om zich zelf te kleden, te voeden en te beschermen, van de heffing uitsluiten. Bovendien diende hij bij invoering van zijn plan te beloven het niet te zullen wijzigen en nooit meer te eisen dan dat wat hij had vastgesteld. Mocht hij zich niet aan die belofte houden, zo voorspelde Bidningh hem, dan zou zijn rijk in twee delen uiteen vallen.

De Tulle zweerde Bidningh zijn raad te zullen opvolgen. Hij vertrok en stelde dienaren aan die de heffing voor hem moesten innen. Doch toen hij na enige tijd nog niets had ontvangen toog de vorst op onderzoek uit. Groot was zijn verwondering toen hij bemerkte dat het aantal reizigers dat de stroom wilde passeren, groter was dan ooit tevoren. Maar geen enkele reiziger droeg zijn handelswaar. Een ieder duwde of trok zijn bezit voort in grote rieten manden waaronder ronde schijven rolden. Wat gedragen werd was slechts kleding en schoeisel. Met de voorspelling van Bidningh in gedachten, liet de Tulle zijn tot heffing plan varen.

Fluisterend ging het gerucht van mond tot mond, dat Cruyer, een grondenbewoner van de Gronden van Beecke, na de Tulle, ook bij Bidningh op bezoek is geweest. Dat Bidningh hem het idee van de mand met wielen had aangereikt. En dat deed weer vermoeden dat Bidningh destijds, toen Thoron door Cracele werd verleid, het Rad der Tijd door het Ganse Bestaan heeft zien gaan. Bidningh zelf heeft zich er nooit over uitgelaten.

De Germaanse God Odin heeft ook eens een bezoek aan Bidningh gebracht, zo weten vorsten, vissers, boeren en tal van andere grondenbewoners te vertellen. Odin vroeg aan Bidningh hoe het toch kwam dat hij van vrijen en de liefde hield maar ook van vechten en doden “Het antwoord is niet moeilijk.” zo liet Bidningh de Germaanse God weten. “Zelfs een blinde weet het.”
“Maar ik ben niet blind.” riep Odin hem toe.
“Dien ik eerst blind te zijn om het te zien?”
Daarop rukte de Germaanse God zichzelf een oog uit en smeet een deel van zijn zicht woedend weg. Het oog rolde door de bedding van de droge stroom en weende. De tranen die het verloor verhardden en verglaasden.
“Ik zie het nog niet!” riep Odin en hij wilde zijn andere oog ook uitrukken.
Doch Bidningh hield hem tegen. Hij raapte het door Odin weggegooide oog op en drukte het weer in het hoofd van de Germaanse God.
“Wat doe je het liefst?” vroeg hij. “Vrijen of vechten?”
Odin dreigde wanhopig opnieuw zijn eigen ogen uit te rukken omdat hij geen keus kon maken. Omdat hij het een én het andere wilde. Het stoorde hem dat hij niet wist hoe dat kwam.
“Stel dat je alleen zou willen vechten en doden.” zo hield Bidningh de Germaanse God voor. “Dan zou er na verloop van tijd niemand meer zijn om mee te vrijen en lief te hebben. Maar dat zou niet zo erg zijn want je vecht en doodt liever. Maar er zou ook niemand meer zijn om mee te vechten. Niemand om de dood te geven.”
Odin knikte en glimlachte voldaan bij de woorden van Bidningh. Hij meende het antwoord op zijn vraag gekregen te hebben.
“Dus ik moet vrijen en liefhebben om te kunnen vechten en de dood te geven, en ik moet vechten en de dood geven om te kunnen vrijen en lief te hebben.” stelde hij tevreden vast.
Bidningh keek hem een tijdje zwijgend aan. “Met vrijen en liefhebben kun je leven geven. En daarmee schenk je ook de dood.” zo zei hij tot Odin. “Immers, in het leven zit de dood verborgen. Twee keer de dood geven is zinloos.”
Odin vertrok met de gedachte geen zinloze God te willen zijn. Maar na zijn thuiskomst meende hij dat er een nog diepere wijsheid in de woorden van Bidningh verscholen lag. Om dat te achterhalen keerde hij terug om Bidningh weer bezoeken. Maar bij zijn aankomst in het achterland van de Gronden aan de Schokkerkaap, bleek het water opnieuw te stromen in de bedding die eens door Bidningh werd bewoond. Niemand kon vertellen waar Bidningh naar toe was gegaan. Hij was vertrokken zoals hij was gekomen, plotseling en onverwacht.
Bij zijn vertrek schijnt Bidningh gezegd te hebben dat muziek, zang en dans, door het ganse bestaan zouden gaan om eens weer terug te komen naar de plaats waar hij verkeerde.
Natuurlijk hoorde Odin van dit bericht. Hij sloot het op in zijn gedachten en vertrok, voor zijn gevoel zinloos, terug naar zijn eigen Godenrijk. Op de plaats waar hij met Bidningh had gesproken, rolden zijn eens vergoten, verharde en verglaasde tranen, eindeloos heen en weer in de stroom. Maar Odin wist het niet. Geen moment heeft hij daar bij de herboren stroom aan zijn verloren tranen gedacht. Later blijkt de Germaanse God zijn oog opnieuw te hebben uitgerukt om de vermeende, diepere wijsheid in de woorden van Bidningh, alsnog te kunnen zien en begrijpen.

 


Over de Ontstaansgeschiedenis

Rond het Rad der Tijd
Bidningh Godenzoon of Banneling
De Onwerkelijke Wezens van Azeser
De Grot van Cavender
De Ensese velden
De Almaarse Dichter Posoral *


HOME