Mythen en Sagen uit Flevoland

door Gerard Beense

Het Almaarse Godenrijk

De Ensese Velden

In dit verhaal wordt verteld over vreemdelingen die zich willen vestigen op de Ensese Velden. De Vorst en Nagel van de Gronden van Nagelinghe beschouwt deze velden als behorend bij zijn Gronden. Zijn opvatting wordt echter niet door iedereen gedeeld. Bovendien vereren de vreemdelingen Goden die niet tot het Almaarse Godenrijk behoren. Reden te meer voor de Nagel om de Almaarse Goden hulp te vragen in zijn streven om het voorgoed vestigen van de vreemdelingen te verhinderen.

 

De dichter Flevo Batavus schrijft aan het begin van deze geschiedenis:

 

Zij kwamen en zij bleven

toen hen de vrijheid was gegeven

om te kiezen zonder dwingen.

Maar zij,

zij vingen schol noch bot,

zoals hun God

gesproken had.

 

 


Het leven op en rondom de Gronden aan de Schokkerkaap was nauw met de zee verbonden. Maar de Ensese Velden waren dat wel in het bijzonder. Daar stroomde het zoute water regelmatig tussen de duinen door over de lage gronden. Hinderlijk vonden de grondenbewoners dat niet. Integendeel. Met de oprukkende golven zwommen de vissen mee landinwaarts. Als het water zich terug trok waren ze een makkelijke prooi.

De Ensese Velden waren dan weer grond, dan weer zee en dan weer grond. Mantor, de vorst en Nagel van de Gronden van Nagelinghe beschouwde het gebied als het zijne. Een opvatting die echter niet door andere vorsten werd gedeeld. Het is grond en zee, en zee en grond, zo zeiden ze. Het is dus van iedereen.

Desondanks had de Nagel er enkele schamele hutten op palen neergezet. Door hem verkozen onderdanen mochten ze gebruiken bij het vissen mits ze een deel van de opbrengst aan hem gaven. Dat een enkele keer ook bewoners van de omringende gronden naar de Ensese Velden trokken om er op vis te jagen nam hij voor lief. Doch dat werd anders toen hij vernam dat bewoners van gronden, verder dan die rondom de Schokkerkaap, op de Ensese Velden waren gezien. Hun komst ergerde hem en ondermijnde zijn gevoelens van gezag over het gebied.

 

Posoral heeft over de bezitsdrang van de Vorst van Nagelinghe het volgende vers geschreven:

 

Wat over de Ensese Velden is te Melden

Over de Ensese Velden is te melden:

Dan is het grond, dan is het zee

en dan is het weer grond.

De Nagel zag de Velden

als behorend bij zijn gebied,

maar menigeen vertelde:

Ik deel die mening niet.

Nee, het merendeel van de bewoners vond,

het is grond om op te leven,

en gegeven aan iedereen,

omdat het maar voor even

uit de zee verscheen.

Maar Mantor liet er hutten bouwen

want hij bleef die watergrond

als van hem beschouwen

en een ieder die opstond

om er voor wonen te verblijven,

wist hij met zijn grote mond

en bijstand van zijn zonen,

steevast te verdrijven.

En toen er kwamen

die hem niet kende,

begon hij plannen te beramen

om ook hen

voor immer heen te zenden.

 

Het verhaal gaat als volgt verder:

 

Ook de onderdanen die voor de vorst visten, stoorden die zich aan de komst van de vreemdelingen. Ze zagen hun verschijnen als een beperking van hun bevoorrechte positie. Op hun klagen toonde de Nagel zich maar al te graag bereid de nieuwkomers van de Ensese Velden te verjagen. De vorst van de Gronden van Nagelinghe wilde echter zeker van zijn zaak zijn. Daarom droeg hij zijn zonen Pantoor en Segoor op, verspieders naar de vreemdelingen te sturen om uit te zoeken waar ze vandaan kwamen en vooral hoe sterk ze waren. Wat hij wilde weten vernam hij al snel.

Ze komen van ver, uit het oosten, zo werd hem door Pantoor gemeld. En Segoor wist te vertellen dat ze niets van de Almaarse Goden wilden weten. Ze hebben hun eigen Goden, zo zei hij. Verder vernam de Nagel dat het aantal vreemdelingen niet groot was. Maar ze hadden boodschappers naar hun thuisgronden gestuurd om te berichten dat het hier in de Gronden rondom de Schokkerkaap goed verblijven was. Het was dus te verwachten dat er meer vreemdelingen zouden komen.

Het bericht gaf de Nagel de zekerheid die hij wenste. Hij verzamelde een aantal van zijn vissers en vertrok met hen en zijn zonen naar de Ensese Velden.

 

Tot zijn verbazing werd de vorst hartelijk door de vreemdelingen ontvangen. Ze hadden juist vers gevangen vis in de vuren gelegd en ze nodigden de Nagel en zijn gevolg uit om samen met hen de maaltijd te gebruiken. Aanvankelijk wilde de Nagel weigeren doch hij schoof aan bij de vuren en maande zijn mannen hetzelfde te doen. Dit was, zo bedacht hij, een goede gelegenheid om zich persoonlijk te overtuigen van de bedoelingen van de vreemdelingen.

Na het uitwisselen van beleefdheden en genieten van de gebakken vissen, vroeg de vorst of de vreemdelingen zich nabij de Ensese Velden wilden vestigen.

Van alle kanten werd hem toegeroepen dat dit inderdaad de bedoeling was. De vreemdelingen toonden zich verheugd dat hun God hen naar deze gronden had geleid. Op de vraag van de Nagel of hun God Almare was, de God van het Almaarse Godenrijk was, schudden de vreemdelingen ontkennend het hoofd.

“Wij hebben onze eigen God.” zo werd hem duidelijk gemaakt.

Het antwoord deed de vorst opmerken dat ze in dat geval onmogelijk konden blijven. Maar, zo beloofde hij, omdat ze hem en zijn gezelschap zo gastvrij hadden ontvangen, wilde hij de Almaarse Goden verzoeken hen toe te staan zich in de Gronden rondom de Schokkerkaap te vestigen.

Dat betekende echter wel, zo liet hij hen weten, dat ze hun eigen God vaarwel moesten zeggen.

In het rumoer dat ontstond gaf de Nagel aan dat hij de vreemdelingen de tijd te wilde geven om over zijn woorden na te denken. Hij zou vertrekken, dan konden ze met elkaar overleggen. Maar over enkele dagen, zo benadrukte hij, zou hij terugkeren om hun antwoord te vernemen.

 

Toen de tijd daar was vertrokken de Nagel en zijn zonen, samen met de hem getrouwe onderdanen, opnieuw naar de Ensese Velden om te vernemen welk besluit de vreemdelingen genomen hadden. In zijn hart was Mantor er van overtuigd al te weten wat hun antwoord zou zijn. Ze zouden hun God niet vaarwel zeggen. En die houding zou hun verwijdering van de Ensese Velden rechtvaardigen.

De veronderstelling van de Nagel bleek juist te zijn. Vriendelijk maar zeer beslist lieten de vreemdelingen hem weten hun God trouw te blijven. Gesterkt in zijn voornemen droeg de vorst hen op in dat geval te vertrekken. Doch toen zij bleven volharden in hun wens om zich nabij de Ensese Velden te vestigen, zei hij bij zijn afscheid, spoedig terug te zullen komen om hen van zijn gebied te verjagen.

 

Posoral dicht over dit deel van het verhaal:

 

Toen de Vreemdelingen Lieten Blijken

De Vorst werd hartelijk ontvangen

en vernam, bij vers gebakken vis,

over hoopvol gaan in verlangen

naar gronden waar toekomst is.

Maar toen de vreemdelingen lieten blijken

nabij de Gronden van Nagelinghe

voor wonen neer te willen strijken,

ja, zelfs op de Ensese Velden,

en vertelde naar daar

door hun eigen God te zijn geleid,

maakte de Nagel ernstig bezwaar

en zei, met ingehouden nijd,

dat de Almaarse Goden

hen het hier blijven verboden,

tenzij de vreemdelingen voortaan,

met de God Almare voortgingen

in het Bestaan

De Nagel had al heel vlot in de gaten

dat ze hun eigen God niet zouden verlaten.

En hij voelde zich tevreden,

stelde geen verdere vragen,

hij had nu een heldere reden

om hen van de Velden weg te jagen.

 

Over hoe het de Nagel verder vergaat in zijn strijd om de vreemdelingen te verjagen, staat geschreven:

 

Terug in zijn hoeve riep de Nagel Vwyende aan, de Almaarse Sucene van de Strijd en hij vroeg hem behulpzaam te zijn in zijn streven de vreemdelingen te verjagen. En hij vroeg aan Bandémen, de broer van Vwyende, om als Almaarse Sucene van de Chaos, verwarring te stichten onder de vreemdelingen.

De zonen van Almare en Cyclyde hoorden zijn wensen aan. En zij bespraken de verlangens van de Nagel met hun zuster Varyne, de Sucene van de Vriendschap. De drie Sucenen besloten gezamenlijk naar de Gronden van Nagelinghe te gaan om het Almaarse Godenrijk te verdedigen.

 

De Nagel had zijn plan goed doordacht en met Pantoor en Segoor besproken. De wapens die de vreemdelingen hadden waren te verwaarlozen, dat had hij tijdens zijn bezoeken wel gezien. De enkele bootjes die ze hadden dienden Pantoor en Segoor, samen met enkele getrouwen, te veroveren of te vernietigen. Daarna zouden ze met elkaar de vreemdelingen naar de laagst gelegen delen van de Ensese Velden drijven. Het opkomende tij zou hen vervolgens beschutting doen zoeken in de hutten die hij her en der op palen in de Ensese Velden had laten bouwen. Daarna was het eenvoudig. Hut voor hut kon daarna worden ingenomen. Op die manier vermeed hij bij het begin van de strijd al tegen een te grote overmacht te staan.

 

Posoral dicht over het beroep van de Nagel op de Goden, zijn overtuiging en verwachting:

 

Voor het Verdrijven van het Verdorvene

En Mantor vroeg Vwyende,

de Sucene van de Strijd,

zijn krachten aan te wenden

en met al zijn Goddelijkheid,

aan zijn zij te blijven

bij het verdorvene verdrijven.

Ook Bandémen. de Sucene

van de Chaos, riep hij aan,

om met verwarring brengen bij de vijand

aan zijn kant te komen staan.

 

Mantor had zijn plannen goed doordacht

en was overtuigd van zijn slimheid en kracht.

En hij verwachte van de Goden,

die hij ontboden had,

dat ze het Godendom verachte

wat hij als Nagel al verboden had.

 

Het verhaal over de Ensese Velden gaat verder met:

 

Het gebeurde precies zoals de Nagel verwacht had. Zodra de vreemdelingen de vorst van de Gronden van Nagelinghe met zijn manschappen zagen verschijnen vluchtten ze de Ensese Velden op. In hun schrik vergaten ze zelfs hun bootjes mee te nemen. Bij de eerste duinenrij die de zee van het land scheidde, stuitten ze echter op een andere groep mannen van de Nagel. Met vijanden voor en achter zich, dromden ze samen om hun belagers te weerstaan. Doch de Nagel en zijn mannen leken de aanval te schuwen want ze kwamen niet naderbij. Tot het opkomende tij hen vertelde waarom de vorst van de Gronden van Nagelinghe de aanval gemeden had.

De golven stroomden langzaam maar gestaag langs de duinen de Ensese Velden binnen. Ze speelden schuimend en rollend met de voeten van de vreemdelingen. Hoger en hoger steeg de zee. Het wassende water bereikte hun knieën, hun dijen.

De verwarring die bij hen ontstond deed de Nagel zijn manschappen lachend toeroepen dat dit het werk was van Bandémen, de Almaarse Sucene van de Chaos. Met het water tot aan de borst gestegen was een uitbraak van de vreemdelingen bij voorbaat tot mislukken gedoemd. En wilden ze niet verdrinken dan moesten ze bescherming zoeken in de op palen gebouwde hutten.

Met voldoening zag de Nagel hoe ze zich in kleine groepjes verdeelden en door de golven naar de hutten waadden om veiligheid te vinden. Hij beval de boten uit de struiken te halen en in het water te duwen. Terwijl zijn mannen gehoorzaamden aan zijn opdracht dwaalde zijn blik over de Ensese Velden. Er naderde een vaartuig. Groter, veel groter, en anders, heel anders, dan een van de boten die hij zelf bezat. Het was een boot zonder zeil en zonder mast.

 

Posoral heeft dit deel van deze geschiedenis in het volgende vers beschreven:

 

Bij de Vlucht van de Vreemdelingen

De vreemdelingen vluchtten,

en snelden naar de hogere gronden.

Maar al snel bleek dat ze ook daar

van de Nagel hadden te duchten

en telde de veiligheid niet

die ze meenden te hebben gevonden.

Tussen het riet, stonden reeds aanvallers klaar,

om hen ook daar met gemak te verdrijven.

Slechts op de Velden konden ze in dat dreigen,

even vrij van gevaar verblijven.

Tot de zee begon te stijgen

en ze bescherming dachten te verkrijgen,

door naar de op palen gebouwde hutten te gaan

en daar het wassende water

te weerstaan.

De Nagel keek hun vlucht even later

in volle tevredenheid aan.

Ze hadden precies gedaan wat hij had verwacht.

Omdat ze nu in kleine groepen waren gescheiden,

kon hij een strijd tegen overmacht

in getal, moeiteloos vermijden.

Tot zijn blik een vaartuig zag,

dat stevig op de golven lag

doch mast noch zeilen had.

Een boot, zo groot,

veel groter dan hij zelf bezat.

 

Het verhaal gaat als volgt verder:

 

Het eerste waar de vorst aan dacht was dat de boot aan de vreemdelingen behoorde. Maar het voer aan de hutten voorbij en stevende recht op hen af. De Nagel zag dat er drie personen in het vaartuig zaten. Maar geen van hen trok aan de riemen. Sterker nog. De Nagel zag helemaal geen riemen. En toch kwam het vaartuig nader en nader tot de kiel op het droge gleed.

Er stapten twee jonge mannen uit de boot. Naakt, op een korte lendendoek na, gebruind en gespierd en soepel in hun bewegingen. Hun lang rood haar hing in een staart gevlochten over hun rug. Beiden waren even groot, ze geleken zelfs op elkaar. Alleen de kleur van hun lendendoek verschilde. Die van de een leek geelgoud te zijn, die van de ander roodgoud. Na hen stapte een jonge vouw uit het vaartuig. Ook zij had lang rood golvend haar dat waaierde langs haar rug en schouders en danste over haar naakte borsten. Ook zij was gebruind en gespierd in al haar vrouwelijkheid. Rond haar heupen had ze een smalle zilverkleurige doek gewikkeld. Een goudkleurig koord omspande haar middel en hing met één uiteinde langs haar rechterdij tot even onder haar knie.

“Is het juist dat wij begrepen hebben dat u onze hulp behoeft?” vroeg de man met de roodgouden lendendoek.

 

Posoral dicht over het vreemde vaartuig en het onverwachte en onbekende bezoek dat het naar de Ensese Velden brengt:

 

En de Boot Bracht Onbekend Bezoek

Nee, het was geen boot van de vreemdelingen,

ook geen vaartuig dat de Vorst van Nagelinghe

ergens eerder had mogen aanschouwen.

Geen mast, geen zeil, geen riemen en geen touwen

en toch gleed het door de golven voort

alsof niets het tegen kon houden.

Toen het uit het zilte nat op het droge gleed

stapten er twee jonge mannen van boord,

gebruind en gespierd en slechts in rood- en geelgouden

smalle lendendoeken gekleed.

 

En daarna verscheen er een jonge vrouw

met dezelfde gebruinde lichaamsbouw,

maar dan daar vol en rond

waar een man het vrouwelijke vond,

zo Goddelijk volmaakt.

Ze was naakt,

op een zilverkleurige lendendoek na,

en een gouden koord

dat danste naast haar dij.

En een van de beide mannen nam het woord

en zei:

Wij zien dat verder voortgaan

in de Velden is verstoord,

u bent ontdaan.

Wij bieden u onze diensten aan.

 

Over hoe de Nagel handelt na dat aanbieden van hulp en wat daarop volgt, vertelt het verhaal:

 

De Nagel glimlachte zijn verwondering weg. “Dank voor uw aanbod.” zei hij beleefd. “Maar zoals u ziet zijn we met voldoende mannen om te doen wat we moeten doen.”

“Onze boot is beschikbaar om hen te halen.” zei de man met de geelgouden lendendoek. Zijn hand wees naar de hutten waar de vreemdelingen een droog onderkomen hadden gevonden.

“De Nagel knikte. “Dank u. Maar we hebben onze eigen boten.”

De jonge vrouw stapte naderbij en schudde het hoofd. Haar lange rode haren waaierden over haar naakte schouders. “Maar daar kunnen jullie niet mee varen.”

 

De Nagel en zijn mannen keken naar de vloedlijn en renden naar hun boten. De vrouw had gelijk. Het water stroomde binnen en buiten de boorden.

De vorst keek zijn mannen woedend aan. Tierend en scheldend beschuldigde hij hen van onzorgvuldigheid. Maar zij zweerden hem bij alle Almaarse Goden, onschuldig te zijn en duidden hem er op dat zich nergens in de boten een gat bevond.

Het schelden van de vorst verstomde toen hij nogmaals de boten bekeek. Zijn mannen bleken gelijk te hebben. Nergens was een lek te ontdekken. Hij begreep er niets van. Hoofdschuddend wendde hij zich tot de bezoekers. “U komt blijkbaar als door de Goden gezonden. Als u uw vaartuig beschikbaar wil stellen dan zal ik u rijkelijk belonen.”

De vrouw glimlachte. “Die beloning is niet nodig.” zei ze.

De Nagel wuifde haar woorden met een trotse blik in zijn ogen weg. “Als vorst en Nagel van de Gronden van Nagelinghe ben ik u dat verschuldigd.”

Vervolgens wendde hij zich tot zijn mannen en gaf hen opdracht om aan boord van het vaartuig van zijn bezoekers te gaan. Doch de man met de geelgouden lendendoek hield hen staande.

“Als jullie meegaan dan is er minder plaats voor hen.” zei hij. Zijn hand wees naar de hutten waar de vreemdelingen een schuilplaats voor het wassende water hadden gevonden. “Wij zullen hen gaan halen.”

Zijn gezicht glimlachte, doch de toon in zijn stem berichtte een besluit waar niet aan te tornen was.

Voor de vorst van de Gronden van Nagelinghe een tegenwerping kon maken, waren de twee jonge mannen en de jonge vrouw al in het vaartuig gestapt. Zonder zeil en zonder riemen dreef het weg over het water.

 

Dit deel van het verhaal brengt Posoral tot het volgende vers:

 

Als een Dolkstoot

De onbruikbaarheid van zijn boten

deed Mantor met stomheid staan.

De strijd waartoe hij had besloten,

leek in onmacht te vergaan.

Doch in de hulp die zij hem boden,

zag hij een gebaar der Goden,

dat hij voor slagen in verjagen

en bereiken van zijn plannen,

geenszins af mocht slaan.

Maar toen Mantor zijn mannen maande

bij hen aan boord te gaan,

hielden zij zijn strijders staande,

en liet een stem,

hem, als een dolkstoot weten,

het gaan in hun boot te vergeten.

 

Over hoe het de Vorst van Nagelinghe verder vergaat in deze geschiedenis, staat geschreven:

 

Pas toen de boot de eerste hut had bereikt, dromden de mannen van de Nagel om hem heen. Hun verwonderde vragen verstomden toen zij bemerkten dat het vaartuig, nog steeds zonder zeil en zonder riemen, van de ene hut naar de andere ging en de vreemdelingen, blijkbaar zonder tegenstand, aan boord nam.

 

De Nagel leek zijn stem verloren te hebben. Zelfs toen het vaartuig terug keerde en de vreemdelingen door de drie bezoekers aan land werden geholpen, bleef hij zwijgend toezien.

De jonge vrouw met de lange rode haren wendde zich tot de vreemdelingen. “U kunt gaan waarheen u wilt.”

“Wij willen helemaal niet gaan.” riep een stem. “Wij willen hier blijven. Kan dat ook?”

“Natuurlijk.” zei de vrouw. Haar rode haren waaiden op in de wind. “U kunt blijven of gaan naar waar u verkiest.”

Het waren woorden die de Nagel deed ontwaken uit zijn zwijgen.

“Ze kunnen hier niet blijven.” zei hij.

De man met de geelgouden lendendoek keek hem verwonderd aan. “Waarom niet?”

“Ze komen van gronden ver uit het oosten.” antwoordde de Nagel met luide stem. “Ze hebben Goden die niet bij ons behoren. Ze weigeren hun Goden vaarwel te zeggen en de Goden van het Almaarse Godenrijk te verwelkomen. Daarom kunnen ze hier niet zijn.”

 

Posoral dicht over dit beschouwen van de Nagel:

 

Waarin de Nagel zich Verwondert en Verweert

En de Vorst van de Gronden van Nagelinghe

zag toe, met verbaasde blik,

hoe alle vreemdelingen,

vrij van vrees en schrik,

bij de bezoekers aan boord

van het vaartuig gingen.

Hij zei geen woord,

zelfs toen ze niet veel later,

bevrijd uit de hutten in het wassende water,

naast hem, op de droge gronden stonden.

Maar nadat hij had gehoord

hoe een vrouwenstem, onomwonden

te kennen had gegeven,

dat de vreemdelingen konden,

gaan en staan

waar ze wensten te leven,

gaf hij hooghartig aan

zich tegen dat streven te keren.

En toen hem werd gevraagd waarom,

zei hij dat hun blijven gewoon niet kon,

omdat ze hun eigen Goden bleven vereren.

 

Over wat vervolgens in deze geschiedenis gebeurt, vertelt het verhaal:

 

De man met de roodgouden lendendoek keek naar de vreemdelingen.

“Wij hebben onze eigen Goden.” zo werd geroepen. “Wij kennen jullie Goden niet.”

Het antwoord van de Nagel ging verloren in het geschreeuw dat over en weer tussen zijn mannen en de vreemdelingen ontstond.

De man met de geelgouden lendendoek hief zijn hand op en de verwijten en verwensingen verstomden in de wind.

“De Goden zijn met het komen, zien, kijken en weten van stervelingen, het ganse bestaan binnen gestapt.” zie hij. “En dat geeft stervelingen de keus hun eigen Goden te kiezen. Ware Goden zullen hen nooit tot een keus dwingen. In dat weten en zijn, mogen stervelingen dat ook niet doen.”

In de stilte die viel was slechts het geluid van de golven te horen en dat van de wind, die zijn woorden over de Ensese Velden deed gaan en tot ver daar buiten.

“Toch moeten ze vertrekken.” klonk het.

Het was de vorst en Nagel van de Gronden van Nagelinghe. Trots en strijdvaardig liet hij zijn blik over de Ensese Velden gaan. “Dit is mijn gebied.”

De man met de roodgouden lendendoek keek hem aan. “De Ensese Velden zijn grond, dan weer zee, dan weer grond en dan weer zee. Ze zijn van niemand en dus van iedereen.”

De Nagel leek zijn woorden niet gehoord te hebben.

“Ik heb de hutten daar gebouwd.” riep hij verbolgen. “Men vist hier slechts met mijn toestemming. Niemand kan dat recht van beslissen van mij afnemen.”

De jonge vrouw wees naar de Ensese Velden. Haar lange rode haren waaiden op in de wind. “Zoals mijn broer zei, dit is grond, dan weer zee, dan weer grond en dan weer zee. Ze zijn van niemand en toch van iedereen. Ieder van u mag hier komen en gaan en vis vangen naar behoefte.”

De vorst en Nagel van de Gronden van Nagelinghe schudde zelfverzekerd zijn hoofd. “Een ieder die hier op de Ensese Velden, zonder mijn toestemming vist en verblijft, verjaag ik naar eigen goeddunken.”

 

Het betoog en de aanspraak van de Nagel beschrijft de dichter Posoral in het volgende vers:

 

De Vordering van de Nagel

Dit is mijn gebied,

zo zei de Vorst van Nagelinghe,

ik duld de vreemdelingen niet,

ik zal ze verjagen en verdringen.

En ik bepaal wie nu en in het verschiet

de Velden mag bedwingen en benutten.

Kijk naar de hutten,

zo stelde hij,

ik heb ze gebouwd,

omdat de Goden mij

de grond en het water,

voor het nu en het later

hebben toevertrouwd.

 

Over het vervolg van het verhaal staat geschreven:

 

De man met de geelgouden lendendoek wendde zich tot de Nagel. Zijn stem vulde de lucht met donder en dreiging. “Uw standvastigheid die op niets dan naijver is gegrond zal u geen vis meer geven. Er zal een storm opsteken. En daarna zullen slechts zij, die niet in uw belang de Ensese Velden betreden, kunnen nemen wat de zee hen geeft.”

De Nagel lachte brutaal. “Wie bent u dat u mij, de vorst en Nagel van de Gronden van Nagelinghe, trotseert?”

De twee jonge mannen en de vrouw met de lange rode golvende haren keken hem aan.

“Ik ben Bandémen.” zei de man met de roodgouden lendendoek. Zijn naam golfde over de Ensese Velden. “Ik ben een zoon van de God Almare. Mijn moeder is Cyclyde. Ik zal u onthouden wat u anderen wilt onthouden omdat u het vrijelijk gaan van Goden en Grondenbewoners betwist.”

“Mijn naam is Vwyende.” vervolgde de man met de geelgouden lendendoek. “Ook ik ben een zoon van de God Almare en de godin Cyclyde.”

“En ik ben hun zuster.” zei de jonge vrouw met de lange rode haren. Haar woorden werden door de wind gevuld met overtuiging en vertrouwen. “Mijn naam is Varyne. Ik ben een dochter van de God Almare. Mijn moeder is de Godin Cyclyde. Bandémen en Vwyende zijn mijn broers. Wij zijn Sucenen van het Almaarse Godenrijk.”

Na een langdurige blik van afkeuring, maar ook van meelij in de richting van de Nagel, wendde zij zich tot de vreemdelingen. “Zoals gezegd, u kunt samen met uw eigen Goden gaan en staan waar u wenst.”

De vorst en Nagel van de Gronden Nagelinghe riep, geschrokken en bevreesd, zijn mannen bijeen en vertrok, zonder nog een woord te zeggen.

 

En dat wat Bandémen, de Almaarse Sucene van de Chaos hem had gezegd, geschiedde. Met het komen van Daxon en zijn Thoster stak er een storm op die slechts raasde over de Ensese Velden. De op palen gebouwde hutten van de Nagel verdwenen in het geweld van het water. En daarna rustte de zee en werden de Ensese Velden opnieuw, dan weer grond, dan weer zee en dan weer grond. Maar de vissers, die in opdracht van de vorst en Nagel van de Gronden van Nagelinghe, er hun netten uitgooiden, vingen er niets meer. Hun netten scheurden telkens als zij ze, in verwachting van een rijke buit, uit het water haalden. En hun verwachting verzonk in hoop. En hun hoop kwam en verdween met het komen en gaan, en komen en gaan van de zee.

De vreemdelingen en anderen die niet voor de Nagel visten, verkregen er echter de vis die de zee hen bracht. Toch verlieten de vreemdelingen de Ensese Velden. Omdat ze niet in onmin met de Nagel wensten te leven en zijn jaloezie niet wilden aanwakkeren Ze vertrokken naar Oercker Hoecke om vandaar uit voort te gaan in de tijd en de vis te vangen die de zee hen zou geven. En ze omarmden de Goden die hen de vrijheid van de keuze hadden gelaten.

 

Over dit laatste deel van deze geschiedenis dicht Posoral:

 

Wat de Nagel werd Ontnomen

De man met de geelgouden lendendoek

gaf de Nagel met luide stem te verstaan:

Uw weten is zoek en door jaloezie verdreven,

er zal een storm over de Ensese Velden gaan

en daarna kunt u, noch zij die doen uit uw naam

de vissen eten die de zee zal blijven geven.

Doch ieder ander, ook zij die van verre komen,

zullen verkrijgen wat vanaf nu, aan u is ontnomen.

 

Maar Mantor lachte brutaal en zei:

Wie bent u, dat u mij

het maal van de zee wil verbieden!

Het antwoord overtroefde zijn spotternij:

Ik ben Bandémen, een van de Almaarse Sucenen,

zoon van de God Almare en de Godin Cyclyde.

Ik zal u ontnemen wat u anderen onthoudt

omdat u niet op het vrijelijk gaan

van Goden en Grondenbewoners vertrouwd.

 

En de Sucenen

zonden de Nagel en zijn zonen henen.

 

En wat Bandémen voorspelde,

geschiedde.

De Ensese Velden,

hadden,

zo men tot lang nadien vertelde,

de Nagel en zijn lieden,

vis noch verblijf te bieden.

 


Over de Ontstaansgeschiedenis

Rond het Rad der Tijd
Bidningh Godenzoon of Banneling
De Onwerkelijke Wezens van Azeser
De Grot van Cavender
De Ensese velden
De Almaarse Dichter Posoral *


HOME