Mythen en Sagen uit Flevoland

door Gerard Beense

Het Almaarse Godenrijk

De Almaarse dichter Posoral
Zoals de dichter Flevo Batavus schreef:

Zoals hij vertelde,
zo meldde men alom,

zoals hij het gaan

van de Goden vertaalde,

zoals hij over Dolende Doden

en over het Bestaan

van grondenbewoners verhaalde,

zoals zijn woorden, oren bekoorden,

moest hij wel gaan

naar heersers der Gronden.

Hij bracht zijn verzen

bij Nagel, Oof en Swift,

leek door Goden gezonden,

en schonk de bevallige Horste,

als eerste van de vele vorsten
inzicht in het Mareschrift.

Over zijn komen en gaan naar vorsten en vorstinnen werd alom over de Gronden gesproken. Men fluisterde zelfs dat hij Orcete was, de Almaarse Sucene van de Voordracht en Verbeelding. Zijn woorden streelden menig oor, gingen van hoeve naar hoeve en van hof tot hof. Was dat de enige reden waarom de Almaarse dichter Posoral een warm welkom bij vorst en volk verkreeg? Menige vrouw zou voor zijn verschijnen gevallen zijn, zo kon men horen. En in vurig verlangen de sponde met hem hebben gedeeld. Het zijn beweringen die nimmer door de dichter zelf bevestigd zijn. Als hij, door vorsten en vorstinnen, over die vermeende momenten van minnen en spelen met zinnen, werd aangesproken, hulde hij zich veelal in een gepast zwijgen. Natuurlijk werd dat door velen vertaald als niet ontkennen. Maar soms gaf hij echter een antwoord dat het pad der diepzinnigheid betrad.

Zo bracht hij eens een bezoek aan Fremdo en Fride, het vorstenpaar van de Gronden van Folove. Zij hadden een aantal vrienden en dienaren met hun zonen en dochters uitgenodigd om te genieten van zijn komen.

Na hen allen in verrukking te hebben gebracht met het voordragen van zijn gedichten, werd hij aan de maaltijd gevraagd. Foler en Fagel, de twee zonen van het vorstenpaar, zetten zich gehaast naast hem neer. Elk van hen werd begeleid door een zeer schoon ogende dochter van een van de dienaren. Op de bijna uitdagend klinkende vraag van Foler, of er waarheid school in de berichten over zijn intieme ontmoetingen met vorstinnen en vorstendochters, zweeg Posoral een moment. Fride en Fremdo wierpen hun zoon een bestraffende blik toe, doch zij schoven nieuwsgierig naderbij toen de dichter onverwacht toch antwoord gaf en zei:

Waar het lendenvuur brandt
in wat eigen bezit is
moet men niet laten blijken
dat ook het verstand verhit is.
Laat prijken wat moet prijken,
blijft verre van louter beweren
en geeft de vlam
geen kans tot verteren.

Foler en Fagel keken Posoral aan met een blik die naar verduidelijking zocht. Maar de twee jonge vrouwen naast de beide broers, knikten en glimlachten bijna verborgen, als voelden zij wat de vlam kon verteren.
Fremdo, de vorst en Oof van de Gronden van Folove, merkte met een brede grijns op dat dit antwoord een dichter waardig was en heel mooi klonk. Ook de vorstin bewoog instemmend haar hoofd. Zij glimlachte met een schittering van heimelijk weten.
Over waar Posoral, na zijn voordracht bij het vorstenpaar, de nacht had doorgebracht, werd voorzichtig fluisterend in veronderstelling gesproken.
In de kleine vriendenkring van Fride kon men vernemen dat hij de sponde van de vorstin zou hebben bezocht. Groter echter was de groep die een ander weten kende. Met gevoelen van stil vermaak werd daar opgemerkt dat de twee jonge vrouwen die avond niet meer in het gezelschap van de beide broers waren gezien. En dat ook Posoral, na afloop van de maaltijd, afscheid van het vorstenpaar had genomen.
Een ander beschouwen in zijn gedichten bracht hij ten gehore aan het hof van Mantor, de vorst en Nagel van de Gronden van Nagelinghe. Tijdens hun gesprek over de zin van het gaan in het bestaan merkte de Nagel op dat hij het leven wel kende.
“Welk weten kan daar nog aan toegevoegd worden?” zo zei hij. “Ik ken mijn dienaren, ik ken de vorsten van de Gronden. Ik weet van hun verlangens en hun gruwen, ik ken hun deugden en gebreken. En de Goden? Hun gaan over de Gronden is aan mijn gaan gelijk. Ik ben de vorst en Nagel, mijn kennis en gezag behoeft geen betoog.”
Posoral hoorde hem minzaam aan en gaf na enig nadenken zijn antwoord.

Het weten van beneden
wil niet zeggen
dat je boven bent.
Het weten van het heden
wil niet zeggen
dat je het weten
van het verleden kent.
Het beschouwen en bezien
vanuit een ander weten
doet je heel misschien beseffen
dat zeker weten
niet altijd is uit te leggen
en zelfs kan leiden tot een treffen
dat nimmer is voorzien.

De Nagel zweeg geruime tijd na deze woorden van diepzinnigheid.
De wijze waarop Posoral de geschiedenis van de Almaarse Goden verwoordde, werd eveneens door velen geroemd. Zo droeg hij, op verzoek van Xantix en Corsyde, het vorstenpaar van de Gronden van Swiftinghe, eens in hun vorstelijke hoeve, zijn vers voor over de ontmoeting van Almare en Inselgrunde.

Als vanuit het niets verscheen
hem in het meer
het vaartuig vol Valkyren,
Odins oorlogsmaagden.
Zijn blik ging er keer op keer heen,
waar het in de schittering verdween
van twee ogen die hem behaagden,
in dat hart van groen,
drijvend in een blauwe zee,
vol golvende zilveren kragen.
Hij wist wat hij moest doen
en nam haar mee
om haar spontaan te vragen,
zijn liefde te nemen,
het in en onder haar hart te dragen
en hem, de God Almare,
hun Godenkinderen te baren.

De Swift en zijn geliefde Corsyde toonden zich zeer verrukt over zijn vorm van vertellen. De vraag of hij ook wilde verhalen over de Almaarse God der Tijd en zijn geliefde, de Godin van de Onmin, kon Posoral daarom moeilijk onbeantwoord laten.
“Het is mij een genoegen dit te mogen doen.” zo zei hij voorafgaand aan het vers. Met warme stem en diep gevoelen vertelde hij vervolgens een van zijn geschiedenissen over Thoron en Cracele.

Hij draaide aan het Rad der Tijd,
draaide en draaide voort,
draaide en draaide onverstoord totdat,
een Godin zijn aandacht had
en hij het Rad liet gaan.
Terwijl het rolde door het Bestaan
en zien van het wiel werd vrijgegeven,
gaf hij haar van verlangen blijk
schonk zij het Almaarse Godenrijk
Goden van Dood en Leven.
Doch, was zijn liefde slechts voor even?
Zij meende dat hij heel zijn hart
aan het Rad der Tijd besteedde.
Vol verwijt maar zonder spijt
ging zij met Momus mede,
met wie zij vrijde
om daarna Hermode,
de bode der Germaanse Goden
in verlangen te verleiden.
Haar opzet slaagde en hij behaagde
wat zij hem te bieden had.
Doch hun samenzijn geschiedde pas,
nadat het draaien van het Rad
in handen werd gegeven
van Bomen, Struiken en Gewas,
en van Dood en Leven.

Het applaus dat volgde op zijn voordracht plezierde Posoral. Na gedichten over andere Almaarse Goden en grondenbewoners voorgedragen te hebben, liet hij hen tot slot zijn gedicht over de dolende doden horen.

Eens viel het blad van Thoron's Rad,
om te zeggen dat
je het leven had gehad.
Dan stond de kanonde voor je klaar
om je weg te brengen van de Gronden naar,
het onbekende,
ver verborgen in de zee.

Zo gingen vele doden naar de zee,
maar die zee nam hen niet mee,
het was alsof de zee,
hun nabestaan niet vond.

De doden keerden terug
en doolden, doolden rond,
gedoemd tot dwalen in het duister.
Ze werden Dolende Doden genoemd
en brachten schrik in het bestaan,
omdat ze niet wisten,
waarheen met hun dood te gaan.

Maar luister vrienden. Luister.

Het was Almare,
God van het Almaarse Godenrijk
die blijk gaf van verstaan.
Hij reisde rond en reisde rond
en vond voor hen die dwaalden,
een eigen Nabestaan.
Het dolen der doden was voorbij
en zij die met het vallen van het blad
van Thoron's Rad,
het leven hadden gehad,
wisten waar te gaan.

Bevrijdt van dromen van weleer
keert sindsdien geen dode weer.
De Goden hadden voor de Gronden
het Nabestaan gevonden.

Vele vorsten en vorstinnen waren verzot op de minneverzen van Posoral. Waar hij ook verscheen, bijna altijd werd hem gevraagd zijn voordracht te eindigen met enkele van deze verzen. Zo ook toen hij te gast was bij Lacuse, vorstin en Horste van de Gronden van Lacushorst. De schone dochter van Hocker en Eyle, het vorstenpaar van de Gronden aan de Schokkerkaap, heerste over haar rijk zonder beminde aan haar zijde. Ze had nog geen geliefde gevonden met wie zij het bestaan en het heersen over haar gronden wilde delen.
Over belangstelling van mannen, en zelfs vrouwen, had de door velen begeerde vorstin niet te klagen. Maar zij had haar keuze nog niet gemaakt. Dit betekende echter allerminst dat zij haar schoonheid onttrok aan het gaan in genot. Doch zij was in haar keuze van strelen en worden gestreeld, zeer zorgvuldig en veeleisend.
Posoral bezocht de hoeve van Lacuse om haar als eerste van de vele vorsten en vorstinnen in en rondom de Gronden aan de Schokkerkaap, de Maretekens te tonen en de Horste gedurende enige tijd, in te wijdden in de geheimen van het Mareschrift. De dichter had, zoals hij onthulde, het schrift van de God Almare verkregen. Al zijn verzen waren in deze schrijftaal vereeuwigd.
Lacuse bleek een vlotte leerlinge te zijn. Ze wist het Mareschrift snel te beheersen. Ze kon zelfs voordragen op een wijze die Posoral beviel. Doch de vorstin sloot geen moment van onderricht af zonder de dichter te vragen, enkele van zijn meest vermaarde minneverzen persoonlijk aan haar te openbaren.
Posoral droeg zijn gedichten graag aan haar voor. De Horste was niet alleen een geduldige luisteraar maar ook een liefhebster van zijn verzen. Haar verzoek om over het ontmoeten van de God Almare met de schone Gallische Bouchette Pebeyse te verhalen, willigde hij dan ook vol overgave in.

Ze verscheen hem
als een schitterende schim,
ging haar bloemenbad in
en wentelde zich rond en rond.
Tot ze zijn blikken vond
en plots stil en sereen
in haar witmarmeren rots verdween.

Doch haar hunkering groeide
en gevangen door verlangen
bloeide ze op aan zijn zij,
vloeide ze van schroom
naar het vermetele,
schonk ze hem de Godenzoon
die op de Troon der Tijd zou zetelen.

De woorden waarmee Posoral het gaan naar samenzijn van Almare en Pebeyse beschreef, bracht de Horste in verheven vervoering. Zij kuste de handen van de dichter en verzocht hem zijn vers over het gaan naar de geboorte van de Godin Hylsinne te verhalen.
Dat Posoral haar het lied niet onthield, wist ze al voor hij met zijn vertelling begon.

Ostara sprak de dieren toe,
wekte hen op en vuurde hen aan
in het verlangen van het voorjaar te gaan.
Tot de haas opstond.
Wat hij haar toonde, vol glorie en glans,
bracht haar mond tot een minnedans
die de Almaarse Godin Hylsinne
aan haar heilzame vlucht als zwarte zwaan
door het Grondenbestaan deed beginnen.

Opnieuw liet de vorstin haar lippen over de vingers van de dichter gaan. Men zegt dat Lacuse en Posoral na dit gedicht de liefde bedreven zoals ook Ostara en Almare hadden gedaan. Als de Horste ernaar gevraagd werd, zweeg zij, glimlachend. Posoral glimlachte ook als men hem daarover aansprak. Om daarna het eerder onthulde antwoord te geven dat na zijn verblijven bij Lacuse, grotere bekendheid zou verkrijgen dan voordien.

Waar het lendenvuur brandt
in wat eigen bezit is
moet men niet laten blijken
dat ook het verstand verhit is.
Laat prijken wat moet prijken,
blijft verre van louter beweren
en geeft de vlam
geen kans tot verteren.

 


Ontstaansgeschiedenis

Rond het Rad der Tijd
Bidningh Godenzoon of Banneling
De Onwerkelijke Wezens van Azeser
De Grot van Cavender
De Ensese velden
De Almaarse Dichter Posoral *


HOME